35.
Argant, in minder dan twee oogenblikken,
Zwenkt midden in zijn duizelende vaart,
En bliksemt, eer hij tijd heeft om te schrikken,
Op Otto neêr met zijn ontzachlijk zwaard:
Des jonglings adem nokt, zijn kniën knikken,
Zijn blos verschiet, zijn oogen zijn bezwaard;
En eer hij zijn bewustheid heeft herkregen,
Ligt hij onmachtig in het stof gezegen.