32.
De Christen ploft - zóó vreeslijk was de schok! -
De teugels uit, en ligt ter aard' gezonken.
Maar onverwrikbaar als een marmerblok,
Schijnt de andere in den zadel vastgeklonken.
Een wreede vreugd vervangt zijn sombren wrok;
Hij grijnst, en roept, van woesten hoogmoed dronken:
- ‘Geef U gevangen! 't is U eers genoeg,
Ellendige, dat U Argant versloeg!’