31.
Hij laat niet af éér hij zijn zwaard twéémalen
In 't bevend hart van zijn belager stiet,
Tot hij den fielt met nokkend ademhalen
Het leven uit twee wonden braken ziet.
Nu bergt hij 't zwaard, waarop de bloedkoralen
Nog bigglen; toeft bij 't doode lichaam niet,
Maar keert zich om, en gaat in stilte henen,
Terwijl zijn woede spoorloos is verdwenen.