56.
Zij was een dochter Kassans, die den staf
Eens Konings voerde in de Antioochsche Landen:
De Christen nam haar kroon en vrijheid af,
Want met de buit viel zij in Tankreds handen!
Maar de overwinnaar was noch wreed noch straf:
Met zacht fluweel omwoelde hij heur banden;
Ja, midden op den puinhoop van haar Rijk
Scheen ze altijd nog een koningin gelijk.