28.
De Jonkvrouw ziet weldra de tenten staan,
En groet het kamp bij 't wijkend morgenduister:
Elk blikt verbaasd de vreemde schoonheid aan,
En volgt haar schreên met vleiend lofgefluister,
Als rees er aan de azuren hemelbaan
Een nieuwe star met nooitgezienen luister.
Men komt, men vraagt, met vreugdevonklend oog,
‘Wie toch die schoone pelgrim wezen moog'?’