65.
Ja! had ik nog dat bruischend bloed, die spieren,
De vijand had zijn hoogmoed reeds geboet!
Maar laat de sneeuw mij om de slapen zwieren,
Mijn hart bleef jong en onverzwakt mijn moed.
De Heiden zal niet vrolijk zegevieren,
Al liet ik ook mijn laatsten druppel bloed.
Ik wapen mij! Deez' dag zal al mijn jaren
Versieren met hun schoonste lauwerblaâren! ...’