76.
De taxis zwicht, en de eik ploft krakend neêr,
Die duizendmaal met nieuw geblaârt herleefde,
En duizendmaal het woedend stormenheir
Heeft uitgetart, dat door zijn toppen zweefde.
De wagen zwenkt, al-knarsend, heen en weêr,
Met ceedren, bij wier val de bodem beefde;
En 't daveren van bijl en hamerklop
Verjaagt het wild en schrikt de vooglen op.