3.
Gij weet toch wel, dat in de bloeiendste oorden
Des Helikons de waereld samenvloeit,
En dat, gekleed in zoete vaersakkoorden,
De waarheid ook den stugste lokt en boeit.
Zóó worden ook des bekers wrange boorden
Den kranken knaap met honigzeem besproeid:
Hij drinkt, misleid, de bittre balsemteugen,
En mag zich straks in nieuwen bloei verheugen.