47.
Zóó Tankred! Door wat tooverend vermogen
De wondre kluis dan ook geschapen werd,
Vrij trad hij in; en, al te wreed bedrogen,
Ziet hij op eens zich hooploos ingesperd!
Wel beukt zijn vuist den deurpost; maar zijn pogen
Is vruchteloos, en vruchteloos zijn smart!
Daar krijscht een stem: - ‘Wat spilt gij toch uw krachten,
Armidaas slaaf! Gij zult hier eeuwig smachten!