74.
Hier zwijgt zij; en een donkre purpergloed
Doet haar gelaat van eedle gramschap gloren:
Daar rept zij reeds den wankelenden voet,
In d' afgrond der mistroostigheid verloren.
Zij stort in 't gaan een bittren tranenvloed,
Uit droefheid en gekrenkten trots geboren:
En 't zonlicht maakt elk dropjen dat ze weent,
Doorschijnend als een vonklend eêlgesteent'!