26.
Hij zucht van spijt en klaagt den Hemel aan,
Die hem nog steeds zijn diersten wensch doet derven.
Maar wie ook maar een vinger durfde slaan
Aan de eedle Maagd, dit zweert hij, die zal sterven!
Nu wenscht hij snel naar 't kamp terug te gaan,
Al zou hij ook langs vreemde paden zwerven,
Daar reeds de dag gevleugeld nader spoedt,
Als hij Argant in 't perk hervinden moet.