89.
Nu zoekt hij Reimont dicht op zij' te strijken;
Maar deze, als hij die reusgestalte ontwaart,
Vreest dat hij met zijn klepper zal bezwijken,
Verpletterd door dat ijzren berggevaart'.
Hij deinst terug, maar keert, schijnt weêr te wijken,
Maar houwt rondom met onverbidlijk zwaard.
Zijn klepper, die in 't onophoudlijk zwenken
Nooit struikelde, gehoorzaamt al zijn wenken.