84.
Dan, wreede Argant, hadt gij wel geen begin
Des strijds gemaakt; want met ontgloeide wangen
Vloog ik vóór U 't begeerde kampperk in:
'k Hield mooglijk hier mijn ridder reeds gevangen
O zeker! zijn verliefde Vijandin
Zou hem al zacht in donzen kluisters prangen.
Zijn nederlaag zou mij mijn tegenspoên,
Zijn kluister mij mijn kluisters zeegnen doen!