37.
O gun mij ingang tot uws veldheers ooren,
Zoo ge immer deelde in andrer zielepijn!’ -
En hij: ‘'k Wil gaarne uw wankle schreden schoren,
De broeder moet den broeder welkom zijn.
Ik deel zijn gunst; hij zal uw beê verhooren,
Zij is de mijne, aanbidlijk Maagdelijn!
Zijn kroon, mijn zwaard, staan U alle oogenblikken
Ten dienst: gij moogt naar willekeur beschikken!’