74.
Nu straalt, gelijk een lichtstar in den nacht,
De zielevreugd in vollen glans uit de oogen
Dier blijde Drie, wien 't uitzicht tegenlacht,
Dat ze Amors gunst ten minste déélen mogen.
Maar zij, wier naam nog in den beker wacht,
Staan somber daar, door minnenijd bewogen,
En hangen vol verlangen aan den mond,
Die hun de grillen der fortuin verkondt.