24.
Als 't boschwild opspringt, in zijn nest betrapt,
Het koeltjen ritselt door de hagedoren,
Een schuwe duif verschrikt de vleugels klapt,
Snelt hij daarheen om de oorzaak op te sporen.
In 't eind is hij 't bedrieglijk woud ontsnapt,
En slaat hij nu bij 't vriendlijk maanlichtgloren
Een weg in, waar een fluisterend gerucht
Hem tegenruischt op 't dundoek van de lucht.