24.
Zij valt hem aan, in klimmend vuur ontbrand:
Hij weert zich niet - hij blikt steeds in die oogen,
Waar 't Minnewicht zijn vreeslijk krijgstuig spant,
In schaduw der fluweelen wenkbraauwboogen.
‘Ach!’ fluistert hij, ‘hoe dikwijls mist die hand,
Schoon overal met dekkend staal omtogen!
Daar elke blik van dat ontbloot gelaat
Zijn doel bereikt en dwars door 't harte gaat!’