83.
Maar heeft bij U mijn wijsheid ooit gewogen,
Wil dan uw drift bij tijds in boeien slaan!’ -
Hij spreekt, maar ziet zijn wenk in rook vervlogen,
Want elk, verrukt, neemt zijn vergunning aan.
Wie kan een traan in schoone vrouwenoogen,
Wie, 't fluistren van een fulpen tong weêrstaan?
In lieve lippen schuilen gouden snoeren,
Die 't luistrend hart gevangen medevoeren.