12.
Zóó heeft hij-zelf zich 't gruwzaam lot gewijd,
Dat hem en ons straks weêrloos meê zou slepen!
Ter naauwernood gunt hij zich wachtenstijd
Tot de Oostkim bloost van de eerste purperstreepen.
De kortste weg scheen hem de beste altijd:
Zoo nu! Wij gaan. Geen bergpas, hoe benepen,
Geen Heidensch oord, met moordenaars bezet,
Keert onzen voet of teugelt onzen tred.