57.
Gevierd, gediend, kreeg ze al heur prachtkleinoden,
Heur smijdig goud en blanke paarlen weêr -
De vrijheid zelfs werd haar teruggeboden;
De fiere held bestelpte haar met eer.
Zijn grootheid, zoo gevoelig voor haar nooden,
Zijn jeugd, zijn roem, 't roerde al haar even teêr:
En eer zij wist wat hartstocht haar deed gloeien,
Daar sloot de Min haar in onbreekbre boeien.