8.
Als hij, met wien ik strijd, twéé armen heeft
En éénen geest, hoe vurig die moog' wezen,
Dan heeft de kroon, die op uw schedel beeft,
Geen oogenblik van wanklen meer te vreezen.
Mijn rechterhand regeert uw lot, en weeft
U palmen, door de glorie uitgelezen;
Aanvaard haar dan, wanneer ge op haar vertrouwt,
Ten onderpand dat zij uw Rijk behoudt!’ -