34.
Hij spoort zijn paard, en waagt het, dus de wet
Der ridderdeugd onridderlijk te schenden.
De Frank ontwijkt het steigerend genet,
En treft Argant in 't plotsling ommewenden.
't Zwaard keert terug, met rookend bloed besmet:
Een diepe wond gaapt in des vijands lenden.
Vergeefs! zij rooft niets van zijn sterkte, en voedt
De grimmigheid die in zijn aadren woedt.