10.
De Vorst beveelt een naarstig onderzoek:
De huizen weemlen van zijn soudenieren.
Den heeler en den steeler dreigt zijn vloek.
Wie beide noemt, zal 't Vorstlijk eerkleed sieren.
Ismeen, verdiept in 't haatlijk tooverboek,
Herhaalt vergeefs zijn ijdle formulieren:
Want wie dan ook de dader zij geweest,
't Is Gods geheim, waarin geen stervling leest.