70.
De Jonkvrouw hoorde, en sloeg den blik ter aard,
En stond een wijl versteend, van smart verslagen.
Toen hief zij 't oog verwilderd hemelwaart,
En barstte los in hartverscheurend klagen:
- ‘Wee wij! Wien ooit heeft zulk een last bezwaard,
Als ik alléén en onverpoosd moet dragen?
Die nooit van wicht vermindert of van duur,
Zoo andren niet verandren van natuur!