16.
Zoo juicht hij, stelt aan alle kant een wacht,
Wijst elk zijn plicht en arbeid aan. Geen wapen
Wordt afgelegd; hij-zelf, in al de pracht
Van 't oorlogsstaal, zit neder bij zijn knapen.
Nog heerscht alom in 't holle van den nacht
Die stilte, die allengskens in doet slapen,
Als - plotsling - een barbaarsche gruwelkreet,
Schor brullend, hel en hemel daavren deed.