72.
De Veldheer, die zijn heldenschaar bemint,
Wenschte elk van hen zoo gaarne te verblijden,
Ofschoon dan ook de waan, die hen verblindt,
Hem gloeien doet van schaamte en medelijden.
Hij peinst zóólang tot hij een middel vindt,
Waardoor hij-zelf de keuze kan vermijden:
- ‘Meng,’ spreekt hij, ‘aller namen in een bus
Op loten saam', en - 't Lot beslisse aldus!’