29.
Maar geen geroep, geen smeekgebeên bezweeren
De grimmigheid, die Reinouts hart verslond:
Geen stem, geen arm, geen slagboom kan hem keeren.
Hij dorst naar wraak - hij rent - hij voelt geen grond -
Hij worstelt door een dubble haag van speeren -
Zijn blank rapier giert in een cirkel rond -
Alléén, door duizend zwaarden heengevlogen,
Springt hij aldus zijn vijand onder de oogen.