25.
Daar ziet hij zich een lommrig oord genaderd,
Waar uit de rots een levend water springt,
Dat schuimend tot een beekjen zich vergadert,
En murmelend door groene weiden dringt.
Hier roept hij, dat het sluimerend gebladert'
Bewogen wordt; maar de echo slechts weêrklinkt.
Intusschen tooit het eerste morgenblozen
Het oosten reeds met leliën en rozen.