109.
Gelijk een rhee, door 't felle zonnegloeien
Versmachtend naar een heldren watervliet,
Van verre reeds het levend nat hoort vloeien,
Dat klaatrend van de hooge rotsen schiet:
Maar éér een drop haar lippen kan besproeien,
De honden door de struiken snellen ziet,
Zich omkeert, vlucht, en, bassend nagezeten,
Uit vreeze èn dorst èn zwakheid heeft vergeten: