102.
Zij middlerwijl, door ongeduld bestreên,
Blikt op bij ieder tochtjen door de boomen,
Dwaalt af en aan, en telt gestaâg zijn schreên:
- ‘Nu is hij er - hij keert - reeds moest hij komen -
Waar toeft hij? ....’ Al de vlugheid van voorheen
Schijnt haar op eens zijn kruipend paard ontnomen.
Zij zoekt een heuvel, waar ze in 't blaauw verschiet
De tenten van het Christenleger ziet.