23.
Geleid door 't spoor, in 't zandpad nagebleven,
Snelt Tankred voort in 't bijgelegen woud:
Maar 't is weldra zóó dicht in één geweven,
Dat overal een woeste doolhof graauwt,
Waarin hij, van een tastbre nacht omgeven,
Geen zweemsel van een voetstap meer aanschouwt.
Zoo staat hij telkens stil en spitst hij de ooren,
Of wapenklank noch hoefslag zich doet hooren.