31.
Zij pleit vergeefs! hier baat geen tegenstreven!
De Minnaar wijkt der Martlares' geen voet.
O schouwtooneel, zoo roerend als verheven,
Die worstelstrijd van Liefde en Heldenmoed,
Daar wie verwint moet sterven, en waar 't leven
De ellende wordt van hem die onderdoet! ...
Hoe meer die twee elkander schuldig heeten,
Te feller wordt de Dwingeland verbeten.