13.
Nú grimde op eens een ruwe weg ons tegen,
Dán hongersnood; nú list, en dán geweld:
Steeds kwam er brood, steeds effenden de wegen,
De vijand vlood, of werd ter neêr geveld.
Zóó werd de moed, door de overmaat van zegen,
Vermetelheid in 't hart van elken held,
En sloegen we eens, bij de avondzonnestralen,
Ons kamp op, dicht bij Palestinaas palen.