68.
Hoe graag bracht zij den vriend de medicijn,
Die zij, helaas! zijn vijand toe moet brengen.
Soms peinst ze er op, om doodelijk venijn
In 't heulsap des Cirkassiërs te mengen.
Maar neen! heur hart, zoo zuiver als 't satijn
Der lelie, kan den gruwel niet gehengen.
Toch zendt zij stil de bede naar omhoog,
Dat thands noch kruid noch rijmspreuk heelen moog'!