36.
De donkre nacht verborg in arren moed'
Den jammer half voor 't starrend oog des Vaders.
Hij wist genoeg! .... En zoo zijn slagzwaard woedt,
Hij zoekt een graf! Wat zijn hem lauwerbladers?
Verkwistend met zijn eigen stroomend bloed,
En gierig op elk dropje' uit 's vijands aders,
Beslist hij niet wat meest hem troosten zal,
't Verderf dat hij verspreidt, of - eigen val!