22.
Zoo laadt dan nu de moedige Christin
Al 't wee op zich, om voor haar volk te sneven!
O grootsch bedrog, vol reinen heldenzin!
Wie durft der waarheid hier de voorkeur geven?
Nog toomt de Vorst zijn felle gramschap in,
Als wierd hij ('t eerst!) door deernis aangedreven:
‘Wie,’ luidt zijn vraag, ‘wie ried U 't waagstuk aan?
Verleide, biecht! wie heeft U bijgestaan?’ -