60.
Intusschen houdt de sluwe Jonkvrouw aan
Om 't Tiental, dat haar volgen zou. Zij toovert
Bij dage met een glimlach of een traan,
Met woord en wenk en wat ooit hart verovert.
Maar als de nacht de azuren zonnebaan
Den sluier weeft, met starrengoud omloverd,
Verdwijnt zij achter 't linnen tentdoek met
Heur maagden, en - de wacht wordt uitgezet.