11.
Hoe meer hij hoort van andrer lauwerblâren,
Hoe dieper hem zijn roemloosheid verdriet.
En wie hem raadt te toeven, te bedaren,
Dien hoort hij niet en dien vertrouwt hij niet.
Niet aan uw zij' in 't barnen der gevaren
Te staan, schijnt hem 't gevaarlijkste verschiet:
Die ramp-alleen zou hem verschriklijk wezen -
Geen andre kan, hoe vreeslijk, hem doen vreezen!