8.
Maar naauwlijks daagt de nieuwe morgengloor,
Daar is op eens de kostbre buit gevlogen.
De wachter zoekt d' onreinen tempel door,
Maar telkens in zijn bange hoop bedrogen.
Hoe snerpt die maar den dwingeland in 't oor!
Hoe beeft de slaaf voor d' opslag zijner oogen!
Hoe brult zijn wraak in woeste grimmigheid:
‘Een Christenhond is dader van het feit!’....