2.
O Muze! Gij, die naar geen kransen vraagt,
Zoo broos als die van Pindus' lauwerblaâren,
Maar starrenglans op 't blinkend voorhoofd draagt,
In 't zalig koor der Serafijnenscharen!
Doorblake uw gloed de zangdrift die mij jaagt!
Beziel mijn lied! en blijf me uw gunst bewaren,
Als soms mijn hand de strenge waarheid hult
In andren tooi dan uwe oprechtheid duldt!