28.
Dus ruischte 't van dien vriendelijken mond,
Waaruit een stroom van malsche woorden daalde,
Waarvan ik weinig hoorde en niets verstond.
Een hand gleed zeegnend neêr, de stem herhaalde:
“Sta op!” En - ik stond op! versterkt, gezond,
En zonder pijn! Een zachte warmte straalde
Mijne aadren door. - O wonder van den Heer!
Ik was herleefd, verjongd als nooit weleer!