34.
Gelijk het licht de dagkapel, zóó trekt
Haar glans hem aan. Wat heil, zich in die oogen
Te spieglen! Maar de zedige bedekt
Hun hemel met de wimperen. Toch zogen
Zijn blikken reeds een gloed, die brandt verwekt,
Als drooge mosch, op eens in vlam gevlogen....
Hij spreekt haar toe, en beide Jeugd en Min,
Stort, daar hij spreekt, hem dubble stoutheid in: