83.
De knaap, wiens jeugd voor 't allereerst de togen
Der glorie smaakt, met hooger blos gekleurd,
Vindt, hier en daar schermutslende aangevlogen,
Geen Held, die hem den tweekamp waardig keurt.
Maar Argillan bespiedt met loerende oogen
Zijn gang; en juist als hij de werpspiets beurt,
Stoot hij zijn ros ter aarde; en eer hij weder
Verrijzen kan, daar ploft de jongling neder!