4.
Ten slotte grijpt op eens hem 't denkbeeld aan,
Naar 't leger van Egyptens Vorst te trekken,
Om, aan diens zij', met frissche lauwerblaân
De schande van 't verleden te bedekken.
Dat plan staat vast: nu wandelt hij zijn baan
Kloekmoedig op, door stedekens en vlekken,
Altijd rechtuit: want hij behoeft geen hand
Die hem geleid' naar Gazaas gloeiend zand.