8.
Voort moest hij, voort! Hij zamelde om zich heen
Een heldendrom, gehard tot overwinnen;
En wendde fluks naar Thraciën zijn schreên.
Daar ijlde hij de Hoofd- en Hofplaats binnen,
En werd des Keizers gast. Uw boô verscheen,
En meldde, hoe van de Antioochsche tinnen
Uw vendel woei, hoe gij de fiere Stad
Veroverd en daarna verdedigd hadt -