21.
Toch luwt het zacht door 't hart des dwinglands henen,
Zoo al geen min zijn laag gemoed ontbrandt.
‘Spreek!’ zegt hij: ‘Spreek! en 't zwaard der Saraceenen
Keert in de scheê: 'k geef U mijn woord tot pand!’ -
En zij: ‘Zie hier de schuldige verschenen!
De diefstal is gepleegd door déze hand!
Ik roofde 't beeld; en wilt ge U wraak verschaffen,
Mij zoekt ge: mij, o Koning, moet ge straffen!’ -