36.
Wreed jaagt Argant zijn klepper over 't lijf
Des jongelings en kneust zijn kranke leden.
- ‘Ziet,’ roept hij uit, ‘ziet d' eerste van de vijf!
Wie méér wil door mijn paardenhoef vertreden?’
Maar Tankred, door dit gruwzaam wanbedrijf
Geprikkeld, komt ontstuimig aangereden,
Met vast besluit, om, Ottoos val ten zoen,
Zijn eigen schuld met woeker af te doen.