76.
Daar waar de Taag gelijk een zilvren lint
Madrid omgolft, had Aadlaar 't licht ontfangen: -
In 't lentsaisoen, als al wat leeft bemint,
Had daar, geblaakt van wellustvol verlangen,
Het moederpaard den laauwen zuidenwind
In d' open bek begeerig opgevangen:
Het zaad der lucht bevruchtte haar, ze ontfing,
En wierp weldra heur beeldschoone' eersteling.