122.
Maar niet alzoo de gruwelijke orkaan,
Die altijd nog zijn oproerkreet doet schaatren.
De regen ook houdt onverminderd aan,
En bluscht het vuur, en giet zijn kille waatren
Op alles uit. De linnen tenten slaan
In flarden weg, die op de stormen klaatren.
En 't angstgekerm, in akelig akkoord
Met weêr en wind, huilt oorverdoovend voort.