68.
‘Neen! U geen klacht, geen bittre weemoedstraan!
Al mist gij de aard, gij zult den hemel erven.
Al moet uw lijk in 't dompig stof vergaan,
Uw glorie zal de onsterflijkheid verwerven.
Als Christenheld voleindet gij uw baan:
Uw leven werd bezegeld door uw sterven.
Stijg op tot God, en jubel voor Zijn throon!
U wacht de palm, U siert de martelkroon!